
Gijs Klunder, 1966
Grafisch ontwerper en illustrator
Sinds 2015 vrijwillig weidevogelbeschermer en coördinator vrijwilligers VWB Ronde venen en Uithoorn.
Sinds dit jaar ook werkzaam als vrijwilliger voor Vereniging Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer Tieler- en Culemborger Waarden.
Sinds een jaar woonachtig te Heesselt.
Weidevogels in de uiterwaarden: verleden, heden & toekomst,
door weidevogelvrijwilliger Gijs Klunder
Verleden: Bodem broedende vogels als kievit, grutto, tureluur en scholekster (weidevogels) hebben in de eerste helft van de 20e eeuw het boerenland ontdekt als ideale habitat. Daarvoor broedden ze op uitgestrekte toendra’s en kustgebieden. Het toenmalige boerenland bood genoeg voedsel, het gras was kort door beweiding met niet teveel koeien en het afwisselende kruidenrijke grasland bood volop ruimte voor insecten, en dus voedsel in overvloed. Het gras werd pas in mei, juni gemaaid en bemest met ruige stalmest. In Beusichem, waar ik opgroeide aan de dijk, waren in de uiterwaarden nog volop kieviten. Maar daar toen al stonden de vogels onder druk, het landschap was aan het veranderen van kleine stukken akker- en grasland naar productieland van steeds groter wordende boerenbedrijven. Ik raapte eieren om te verkopen aan een restaurant (en heb zo meegewerkt aan de sneller dalende vogelstand).
Heden: Ondertussen is door de intensivering van de landbouw het leven van de weidevogel nagenoeg onmogelijk geworden. Het grootste gedeelte van de weidevogelgebieden staat vol Engels raaigras, waarin insecten ontbreken. Dat ‘grasfalt’ wordt overspoeld door kolossale hoeveelheden drijfmest en kunstmest om drie tot vier ’sneden’ per jaar te halen. De waterstand moet laag gehouden worden om de steeds grotere machines niet te laten wegzakken. Allemaal nodig om een industrie op gang te houden. In dat agro-industrieel landschap kunnen weidevogels niet overleven. Daarom worden agrariërs van overheidswege gestimuleerd om ‘beheerpakketten’ af te sluiten die de weidevogel helpen overleven zoals maaien na 15 juni, plas-dras gebieden, etc.
In de uiterwaarden is iets anders gaande dat de weidevogels daar niet helpt: de kleinschalige boeren hebben plaatsgemaakt voor natuur. Vrijwel overal groeien de uiterwaarden dicht met wilg en meidoorn. En weidevogels broeden niet graag in de buurt van bomen waarin predatoren kunnen zitten. Daarbij is sinds de 60’er jaren de weidevogelstand met meer dan 70% afgenomen en clusteren de vogels bijeen in gebieden die voor hen ideaal zijn. Minder ideale stukken, die vroeger ook benut werden, zijn nu verlaten. Het veranderende landschap levert natuurlijk wel habitat op voor andere vogels. Toch broeden er bodembroeders als kleine plevier, scholekster, leeuwerik en kluut die dapper de loslopende honden, wandelaars Hereford-runderen en Konik paarden proberen te weerstaan.
Toekomst: Voor weidevogels moeten er wel wat dingen op orde zijn als we ze ooit nog terug willen zien in de uiterwaard: een open landschap en rust zijn het belangrijkst. Nu zijn de uiterwaarden tot struingebied verklaard, waarin iedereen overal mag komen en liefst met loslopende honden, maar broedende weidevogels zouden gebaat zijn bij het afsluiten van gebieden van half maart tot half juni. Maar in het algemeen zal eerst de daling van het aantal landelijke broedparen stopgezet moeten worden en pas met een stijging van de aantallen zullen we ze weer terug zien over de dijk. Daarom is het misschien raadzaam om eerst in te zetten op de terugkeer van vogels, die voorheen ook in de uiterwaard huisden als kwartelkoning en patrijs. Daarvoor zijn minder ingrijpende landschapsingrepen nodig.

