Onveranderlijkheid in haar beweeglijkste vorm

Ton den Boon
Ton den Boon
Sommige streken in Nederland oefenen sinds jaar en dag een sterke aantrekkingskracht uit op beeldend kunstenaars. Bergen in Noord-Holland is daar een goed voorbeeld van, net als Laren. Blijkbaar vormen zulke gebieden een goede voedingsbodem voor de schone kunsten, want schilders, tekenaars, grafici en beeldhouwers verzamelen zich er, soms ontstaat er zelfs iets als een kunstenaarskolonie, en achteraf betitelen we de hoogtijdagen daarvan als een ‘school’. De Bergense school is daarvan een sprekend voorbeeld, evenals de Larense school. Een andere ‘school’, de Haagse school – met Haagse kunstenaars die het eenvoudige land- en vissersleven rond Den Haag en Scheveningen als motief kozen – werd zelfs internationaal beeldbepalend voor de Nederlandse kunst in de 19e eeuw.

Onmiskenbaar werkt ook het Rivierenland als een magneet op kunstenaars. Al eeuwenlang zijn de Maas, de Rijn, de Waal, de Nederrijn, de Lek en de IJssel een belangrijke inspiratiebron. In de 17e eeuw lieten Jan van Goyen en Hercules Seghers zich door deze rivieren bezielen voor hun (fantasie)landschappen. En Salomon van Ruysdael en zijn neef Jacob van Ruisdael vonden in de luchten boven die rivieren inspiratie voor hun kenmerkende wolkenluchten. Want dat typeert het Rivierenland bij uitstek: een lage horizon met enorme luchten erboven. IJle luchten, nevelluchten, ruisdaelluchten. Al zijn het uiteindelijk niet die luchten, noch de lage horizon daaronder, die het unieke karakter van het rivierenlandschap in Midden-Nederland uitmaken. Nee, de bottomline van het het landschap is de rivier, een rivier die door oneindig laagland stroomt, naar zijn eindpunt toe, de zee. Het rivierengebied is immers een delta, die al eeuwenlang in cultuur gebracht wordt, met ontzag voor de rivieren die haar doorstromen. Het is het land dat dichter Hendrik Marsman voor zijn geestesoog zag toen hij ‘denkend aan Holland’ ‘brede rivieren traag door oneindig laagland’ zag gaan – hét icoon van ons land. Niet alleen kunstenaars uit het destijds nog verafgelegen Holland kwamen naar het rivierengebied om de rivier te zien, de luchten erboven te aanschouwen en het Hollandse licht te observeren dat de rivier en de uiterwaarden van moment tot moment een andere aanblik kan geven. Ook uit nabije en verre buitenlanden kwamen schilders en tekenaars naar het rivierengebied. Een enkeling, zoals Manet, de voorloper van het impressionisme in Frankrijk, vond in het Rivierenland zelfs de liefde van zijn leven: hij trouwde in Zaltbommel met haar.

Tot diep in de 19e eeuw waren de meeste kunstenaars die het Rivierenland tot motief kozen passanten. Misschien was het gebied destijds – uitgezonderd een handvol grotere plaatsen – te onherbergzaam voor kunstenaars, of was er in elk geval geen economische grondslag voor het kunstenaarschap. Pas in de twintigste eeuw werd het Rivierenland aantrekkelijker voor kunstenaars die zich er metterwoon wilden vestigden. Er werden bruggen geslagen, wegen aangelegd, de streek werd ontsloten en mede daardoor kreeg het kunstenaarsbestaan in het rivierengebied een steviger basis. Vooral vanaf de jaren zestig van de 20e eeuw nam het aantal kunstenaars in de regio toe. Dat betekende echter niet dat er een typische Rivierenlandschool of –stijl ontstond. Daarvoor is het gebied te groot en te divers en zijn de aantrekkelijkheden ervan te gevarieerd. Bovendien vormen de kunstenaars die zich hier gevestigd hebben uit het oogpunt van hun motiefkeuze of werkwijze niet een homogene groep. Integendeel. Veel beeldend kunstenaars die hier actief zijn geweest, werken figuratief, maar er zijn er ook die de lijnen en vlakken die de aarde, de lucht en de rivier daartussen vormen niet-figuratief in vorm en kleur proberen te vangen. Hoe verschillend het werk van de uiteenlopende kunstenaars in het Rivierenland ook is, toch zijn er vooral in de keuze van motief en de visuele behandeling daarvan wel constanten aan te wijzen. Een belangrijke constante in de motiefkeuze is natuurlijk de rivier, de kern van het onderluchtse in het Rivierenland. Nooit is dat een kabbelend stroompje, de rivier is altijd een machtige kerf door de klei, waardoor een idyllische voorstelling van de ruimte vrijwel onmogelijk is. Het in cultuur gebrachte land om de machtige rivier die zorgt voor de dynamiek in het landschap, is vaak grof en schetsmatig, waarmee het zijn schatplichtigheid aan de rivier verbeeldt.
Ruimte is echter misschien wel het belangrijkste kernwoord in het werk van kunstenaars die in het Rivierenland werken en zich erdoor laten inspireren. Met geen mogelijkheid is de ruimte hier eng of beperkt te noemen, en dat weerspiegelt zich in het werk van de meeste kunstenaars. De ruimte op de schilderijen en tekeningen van Rivierenlandkunstenaars is als vanzelf meestal groot en groots uitgebeeld. En vaak is het niet eens de ruimte onder de horizon die groot is, maar de ruimte erboven. Soms is die ruimte boven de horizon zo machtig, dat ze het onderluchtse haast wegdrukt. Het is dan ook de ruimte boven de horizon, de horizon waaraan het leven zijn dynamiek geeft, die uiteindelijk onveranderlijk is. Al is altijd meteen duidelijk dat die luchtruimte pas vorm krijgt door de lijn van die horizon, hoe laag die ook gelegen is.

* De titel van dit artikel is gebaseerd op het gedicht ‘Bewijs van ons gelijk’ van Mark Boog in Frank Dekkers, Aan de rivier, Varik, 2006.
Kunst & Cultuur Rivierenland 2009